19. "Het gevoel om het niet waard te zijn aandacht aan mij te besteden is nooit weg gegaan . . ."

Waarom naar de Salesianen?

Mijn moeder was vroeg weduwe en bleef achter met drie kinderen en een zaak. Ik was een moeilijk lerend kind omdat ik dyslectisch ben. Dat is op de lagere school nooit aandacht aan besteed. Ik ben 2 keer blijven zitten en werd voor "stom" uitgemaakt. Daardoor mocht ik nooit meespelen en ging gekke dingen doen om er toch maar bij te horen en "stoer" te zijn.
Voor mijn moeder was dit weleens een probleem en zij sprak daarover met Pater M., die een neef van haar overleden echtgenoot is. Die zei tegen mijn moeder: "Laat hem maar naar ons komen, dan zorgen wij voor hem, bieden hem een opleiding, een goed tehuis en komt het wel goed." In alle vertrouwen en geruststelling mocht ik naar Ugchelen. Ik heb daar het eerste jaar in de tuin gewerkt, olv. Broeder B. die altijd aardig en vriendelijk tegen mij was. Ik dacht dan ook dat Hij een grote vriend van me was en er was ook geen enkel wantrouwen.
Op een dag toen we klaar waren met werken, ging ik op de grote slaapzaal mijn handen wassen, en daar was Broeder B. Wat me toen eigenlijk al opviel, was dat hij zo overdreven aardig was. Ik had eigenlijk nooit problemen met hem, maar ja, dit weet ik nog heel goed. Hij vroeg me mee te gaan naar zijn slaapplaats en daar moest ik naast hem gaan zitten op zijn bed. Hij vroeg of ik het naar mijn zin had op het internaat. En dat had ik wel. Ondertussen maakte hij mijn broek los en haalde mijn geslachtsdeel eruit. Hij heeft het aan alle kanten bekeken en betast. Ik begreep niets van wat me overkwam, juist omdat we op het hart gedrukt waren, dat we vooral ALTIJD gehoorzaam moesten zijn aan leidinggevenden. Toen wist ik dat het niet goed zat met die regels, ben opgestaan en hard weggelopen. Daarna heeft Broeder B. mij volkomen genegeerd. Ik had niet alleen iets gedaan wat "raar" was, maar was ook mijn vertrouwen in hem kwijt. Ik heb daar nooit over durven praten met iemand. Ze zouden me toch niet geloven.

Na een jaar in Ugchelen te zijn geweest moesten we gaan werken in Assel. We bleven nog in Ugchelen slapen. Na het ontbijt gingen we onder leiding van dhr. W. op een open aanhanger door weer en wind naar Assel. Daar moesten we weer op het land werken en om 12 uur werd er eten gekookt wat we in een oud bakhuisje opaten, gezeten op veilingkisten met het bord op schoot. Na een half jaar reisden we niet meer heen en weer en bleven in Assel slapen met 12 jongens en een overste. We gingen wonen in een klein daglonershuisje. Er was een kleine woonkamer, een kleine keuken en 2 slaapkamertjes. Geen stromend water en geen elektriciteit. We wasten ons buiten in de winter met sneeuw en 's zomers werd er een teiltje water uit de pomp voor ons klaargezet. Eens in de week gingen we naar Ugchelen om te douchen. Wij en onze kleren stonden stijf van de modder en ik begrijp nog niet hoe mijn moeder mijn kleren schoon kreeg.

In die tijd werd de boerderij gebouwd. Wij moesten de koeien melken om 6 uur, daarna naar de kapel, daarna ontbijt, na het ontbijt werken op het land tot 12 uur, toen na het eten om 1 uur weer naar het land tot 4 uur, om half 5 broodmaaltijd en daarna melken tot een uur of 6, dan mocht je je omkleden, je vuile was inpakken, evt. brief schrijven naar huis en om half 9 naar de kapel voor het avondgebed en om 9 uur naar bed. Dat waren onze dagen. 6 dagen in de week. Alleen op zondag hadden we 's morgens na het melken tot de hoogmis wat vrije tijd. Op Zondagmiddag gingen we weleens wandelen in de bossen tot een uur of 4, toen moest er weer gemolken worden. Dus 6 dagen in de week: bidden, eten, werken en slapen. Geen enkele persoonlijke aandacht, geen opvoeding, geen scholing of praktijkcursus, niets van dat alles, wat mij toch beloofd was. Wel zag ik dat de vakleerlingen voorgetrokken werden. Zij hadden meer vrijheid, kregen meer aandacht, en werden begeleid. Ik voelde me toen al niet goed genoeg en weer de mindere, maar ja, mijn moeder had er nog steeds vertrouwen in. Ik was daar op een goede en veilige plek EN bij de Salesianen . Niet zeuren dus. Ook door de priesterstudenten werd ik genegeerd, ik stonk naar kuilgras.

Ik had een mooie stem. Thuis in B. was ik misdienaar en zong in het koor van de kerk. Ik werd gevraagd mee te zingen in een opera, die gespeeld werd voor de medewerkers, maar mijn begeleider dhr. V.d.B. was boos omdat er gewerkt moest worden. Maar Broeder C. van W. (ook uit B.) vond dat ik mee mocht doen en dat is ook gebeurd.

Ook in Assel ben ik seksueel misbruikt. In de vakantietijd kwamen er kinderen van medewerkers op vakantie. Een van de jongens (18 jaar) vroeg op een zondag of ik mee ging naar het wild kijken. We gingen naar het hek van de Kroondomeinen, daar werd ik tegen het hek geduwd en hij maakte mijn broek los en wilde mijn geslachtsdeel pakken om mij te leren wat zelfbevrediging was. Daarop ben ik hard naar huis terug gerend. Daar kon ik het al helemaal tegen niemand zeggen. Een zoon van één van de medewerkers…

Wij, kregen maar 4 weken vakantie, de priesterstudenten 6. De laatste keer in 1954 overleed één van de medewerkers in Assel (de vader van Broeder van W.) en ik had de uitvaartmis in B. mee gezongen op de laatste dag van mijn vakantie. Op de terugweg naar huis, kwam Pater G. op straat naar me toe. Hallo J., voordat ik het vergeet, jij hoeft morgen niet meer terug naar Assel. Ik wist niet wat ik hoorde. Ik had daar toch niets verkeerds gedaan?
Ik zat in de keuken te huilen en mijn moeder vroeg wat er was. Ik vertelde haar wat Pater G. me verteld had zonder enige uitleg. Zij wist nog van niets. Mijn koffer met kleren was alweer verzonden.

De dag erna zij ze tegen me, nou dan zoek je maar werk. Dat heb ik gedaan. Een lijdensweg. Wie had me nodig? Wie kon ik vertrouwen? Ik zou er toch als eerste weer uitvliegen.
Ik voelde me in die tijd zo afgewezen en waardeloos, dat ik de gekste dingen gedaan heb om er maar bij te horen. Ik kon liegen alsof het gedrukt stond, haalde levensgevaarlijke stunts uit, en werd in de maling genomen waar ik bij stond zonder het in de gaten te hebben.

Ik had 12 bazen versleten in 5 jaar. Toen kwam ik in de plantsoenendienst van de gemeente Z. Dit heb ik zo ong. 30 jaar gedaan, maar altijd in mijn achterhoofd, doe ik het wel goed? Hoor ik er wel bij? Als er iets was over het werk, lag ik nachten wakker om te bedenken waar het door mij fout gegaan zou kunnen zijn. Meestal had ik daar helemaal niets mee te maken. Die eeuwige twijfel en onzekerheid.

In 1959 kwam ik een meisje tegen waar ik hevig verliefd op werd, maar na een half jaar wees ze me zonder reden af. Weer had ik het gevoel er niet bij te horen en maar zo aan de kant gegooid te worden. Toen besefte ik in die tijd wat het wegsturen bij de Salesianen met me gedaan had. Meer dan ooit kwam het naar boven. Altijd mijn best gedaan, hard gewerkt en gezorgd en nog niet goed genoeg. Ook bij haar was dat het geval. Ik plukte de sterren voor haar uit de hemel. Maar helaas...

Na verloop van tijd leerde ik mijn (ex) vrouw kennen. Met haar ben ik getrouwd, ik hoorde nu tenminste bij de volwassenen (dacht ik), nu konden ze niet meer om me heen. De eerste jaren gingen redelijk goed, maar de gevolgen van het gebeurde bij de Salesianen speelde altijd op de achtergrond mee. Ik kon er niet omheen, een minderwaardigheidscomplex en geen vertrouwen. We kregen 4 kinderen. Zij gaf mij na verloop van tijd al aan dat ik dom was, me niet met de opvoeding van de kinderen moest bemoeien, en liet me duidelijk weten dat ik de kinderen niet met hun huiswerk kon helpen. Ik was ook dyslectisch en daardoor gewoon te dom. Mijn zoon had ook leerproblemen en ik heb er voor gezorgd dat hij naar speciaal onderwijs kon, zij was daar boos om, want ze wilde het "busje" niet voor de deur hebben. Hier kijk ik met trots op terug omdat hij nu een prima baan heeft. Weleens met gemengde gevoelens. Hadden ze mij toen in Assel beter begeleid, zou ik zeker een beroep in de land of tuinbouw gehad hebben. Hierdoor groeide mijn gevoel niets te kunnen nog meer.

Ook in die tijd ging ik liegen, verzorgde mijzelf niet meer, was slordig en eigenwijs. Het kon mij niet meer schelen en mijn toenmalige vrouw begreep er niets van en deed daar ook geen moeite voor. Praten was er bij ons niet bij. Zij vond een nieuwe vriend. Zij maakte mij het leven zuur zodat ik wel moest gaan. Op een avond toen die nieuwe vriend bij ons was, ( ik kende hem van een clubje) heeft zij de politie gebeld en ik werd op straat gezet met een bundeltje kleren onder mijn armen. Zij bleef in het huis met de kinderen, ik mocht het betalen plus de schulden die zij achter mijn rug gemaakt had bij postorderbedrijven. Een vriend van mij had een caravan en die werd in een boerenschuur getrokken en dar heb 4 maanden gewoond. Het water onder mijn bed bevroor nog.

Ik kreeg een één kamerwoning in Z. Daar was ik van iedereen verlaten en mijn kinderen kwamen niet, omdat mijn ex ze tegen mij opstookte. Ik deugde niet. Mijn oudste dochter heb ik nooit meer gezien. De andere zie ik zo nu en dan uit beleefdheid en daardoor zie ik mijn kleinkinderen ook niet opgroeien. Dat doet pijn. Toen wilde ik er een eind aan maken ik was naar het dak gegaan van de flat, maar ineens was Joop mijn enigste vriend in mijn gedachten en die heb ik gebeld. Hij is uit Limburg naar Z. gekomen en dat was mijn redding.

Ik ontmoette na verloop van tijd A. Zij begreep me wel een beetje en heeft me over de drempel van de analfabete school geholpen. Daar heb ik 5 jaar geprobeerd mijn Nederlands te leren. Het was ook van mijn kant een knipperlicht relatie. Zij is helaas overleden.
Het gevoel om het niet waard te zijn aandacht aan mij te besteden is nooit weg gegaan.


Gelukkig vind ik nu steun bij mijn vrouw. Zij heeft veel onder de afgelopen jaren geleden, maar ze helpt me als geen ander. Ook vind ik veel steun bij de "helden van Don Rua" die mij begrijpen en luisteren. Ik ga hulp zoeken bij iemand die mij kan helpen alles te verwerken. Ik wil eindelijk open staan voor de mooie dingen in mijn leven.

Wat de Salesianen voor ons kunnen doen wil ik met iedereen overleggen. Mij is niet gegeven wat ze beloofd hadden. Ik heb nu nog meer het gevoel dat ze mij in de jaren van mijn ontwikkeling meer neergehaald hebben dan gestimuleerd. Ipv. Een aai over mijn bol, een trap onder mijn kont en mijn kleine beetje zelfvertrouwen de grond in geboord hebben. Het vertrouwen van mijn moeder is beschaamd. Met mijn relaties voel ik me onzeker in intieme momenten.


JM.

Over de content van deze website wordt niet gecorrespondeerd.
Het zonder schriftelijke toestemming / aantoonbare bevestiging citeren uit, of herpubliceren van ongeacht welke content van deze website dan ook, is niet toegestaan.
Aanvragen hiertoe kunt u indienen: info@jongensvandonrua.nl